Johnson verwoordt dat scherp: “Dus of-of-denken en en-en-denken vormen samen ook een polariteit: allebei dragen ze iets waardevols bij aan ons leven, en zonder de ander raakt elk van de twee disfunctioneel.”
Dat is belangrijk, omdat veel frustraties in organisaties voortkomen uit een verkeerde diagnose. Wanneer leiders een polariteit proberen op te lossen alsof het een eenmalig probleem is, leggen ze vaak te veel nadruk op één kant en roepen ze uiteindelijk de keerzijde van juist die keuze over zichzelf af. Het resultaat is geen oplossing, maar weerstand, overcorrectie en een slingerbeweging terug naar de andere kant.
Hoe weet je of je met een polariteit te maken hebt?
Johnson stelt twee praktische vragen.
Ten eerste: is de spanning blijvend?
Ten tweede: als je je een tijd op één kant richt, moet je dan uiteindelijk ook weer aandacht besteden aan de andere kant?
Als het antwoord op beide vragen ja is, is de kans groot dat je niet te maken hebt met een probleem met een definitieve oplossing, maar met een polariteit die je moet managen. Johnson gebruikt daarvoor het eenvoudigst denkbare voorbeeld: ademhalen. Je kunt een tijd inademen, maar uiteindelijk moet je ook weer uitademen. Hetzelfde geldt, zegt hij, voor veel leiderschapsspanningen. Stabiliteit en verandering, werknemersbelangen en organisatiebelangen, autonomie en integratie: in de tijd doen beide polen ertoe.
Daar voegt hij nog een derde vraag aan toe zodra de polariteit zichtbaar wordt: wat is het hogere doel waarvoor beide kanten nodig zijn? Anders gezegd: wat kun je alleen bereiken als je beide polen serieus neemt?
Waarom weerstand tegen verandering vaak logisch is
Een sterk onderdeel van de aflevering is Johnsons voorbeeld van een wereldwijde organisatie die veel waarde hechtte aan autonome businessunits. Dat was logisch: opereren in tientallen landen vraagt om lokale responsiviteit en beslissingsruimte. Maar er ontbrak iets in de taal van de organisatie: er was geen even expliciete waarde geformuleerd rond coördinatie, integratie of samenwerking over het geheel heen.
Johnson wees op het waarschijnlijke gevolg. Als de organisatie te veel nadruk legde op autonomie en te weinig op integratie, zou dat vroeg of laat leiden tot inefficiënties, interne concurrentie en silo’s. En dat bleek geen theoretische waarschuwing te zijn. De organisatie had al jaren geprobeerd om meer geïntegreerd te werken, zonder veel vooruitgang te boeken.
Wat het gesprek veranderde, was niet nog harder duwen op integratie. Het begon ergens anders. Johnson maakte eerst expliciet hoe de organisatie kon behouden wat zij al belangrijk vond. Weerstand was dus niet simpelweg weerstand tegen verandering, maar geworteld in de angst om iets waardevols kwijt te raken.
En precies dat is cruciaal. Zodra mensen het gevoel hebben dat wat voor hen belangrijk is gezien en beschermd wordt, zijn ze vaak veel eerder bereid om ook de andere kant van de spanning serieus te onderzoeken. Daar wordt polariteitsdenken bijzonder relevant voor leiders die verandering begeleiden.
Elke verandering leunt op stabiliteit