Inclusie is bedoeld om mensen gelijkwaardig te behandelen en gelijke kansen te bieden. Toch roept het onderwerp in organisaties ook weerstand en verdeeldheid op. Volgens prof. dr. Hans van Dijk komt dat mede doordat het ideaal van inclusie in de praktijk niet altijd haalbaar of wenselijk is. In zijn inaugurele rede stelt hij daarom niet alleen de vraag wie wordt in- of uitgesloten, maar vooral wanneer inclusief en exclusief gedrag gepast is. Van Dijk aanvaardde op vrijdag 2 oktober 2026 met zijn rede het ambt van hoogleraar Leading Inclusion aan TIAS School for Business and Society, Tilburg University.
In zijn inaugurele rede Voorbij het ideaal van inclusie: Een brug bouwen tussen theorie en praktijk onderzoekt Van Dijk de kloof tussen het ideaal van inclusie en de dagelijkse praktijk in organisaties. Diversiteit kan leiden tot nieuwe perspectieven, innovatie en betere besluitvorming, maar ook tot miscommunicatie, groepsvorming en vooroordelen. De voordelen van diversiteit ontstaan volgens hem daarom niet vanzelf.
Inclusie als dagelijks gedrag
Als medewerkers zich gewaardeerd voelen en ervaren dat ze erbij horen, vergroot dat hun motivatie en psychologische veiligheid. Zij zijn dan eerder bereid hun kennis en perspectieven te delen.
Maar mooie diversiteitsplannen, kernwaarden of statements zijn volgens Van Dijk niet genoeg. Inclusie krijgt pas betekenis in het dagelijkse gedrag van mensen. “Inclusie is een werkwoord. Uiteindelijk gaat het erom welk gedrag mensen op de werkvloer vertonen en of medewerkers daardoor daadwerkelijk meer inclusie ervaren.”
Van Dijk benadrukt bovendien dat inclusief gedrag niet automatisch goed is en exclusief gedrag niet automatisch verkeerd. Organisaties stellen voortdurend grenzen. Bij een sollicitatie worden bijvoorbeeld kandidaten afgewezen. Dat is een vorm van uitsluiting, maar hoeft niet problematisch te zijn wanneer de beslissing op geldige gronden wordt genomen.
Dialoog over wat gepast is
In zijn rede introduceert Van Dijk het legitimiteitsmodel van inclusie, dat hij samen met Jasmien Khattab ontwikkelt. Daarin staat niet alleen de vraag centraal wie wordt in- of uitgesloten, maar vooral of inclusief en exclusief gedrag in een bepaalde context gepast of ongepast is.
Dat betekent ook dat er voor inclusievraagstukken zelden één universeel juiste oplossing bestaat. Wat voor de ene medewerker inclusief voelt, kan voor een ander juist uitsluitend zijn. Van Dijk pleit daarom voor dialoog. Leidinggevenden moeten niet te snel vanuit hun eigen perspectief bepalen wat inclusief is, maar verschillende perspectieven bij elkaar brengen en bespreekbaar maken.
Ook de morele dimensie van uitsluiting verdient volgens hem meer aandacht. Mensen voelen zich niet alleen buitengesloten omdat zij ergens niet bij worden betrokken, maar vooral wanneer zij vinden dat zij ongepast of oneerlijk zijn behandeld. Daarom moeten organisaties kritisch kijken naar de eerlijkheid van hun structuren, systemen en besluitvormingsprocessen.
:quality(75))
:quality(75))
:quality(75))