Public Management

Onderwijs in Nederland: uitmuntende emancipatie en een eeuw lang zoeken naar evenwicht

4 september 2017
schoolklas

In de vorige eeuw vormde onderwijs zonder twijfel een van de geweldige nivellerende krachten in onze samenleving. Het Nederlandse onderwijsstelsel heeft vanwege de unieke historische omstandigheden een aantal heel specifieke eigenschappen.

Deze kenmerken hebben op een belangrijke manier bijgedragen aan de emancipatie van vrouwen, kinderen van lagere sociaaleconomische afkomst en godsdienstige groeperingen, met name katholieken.

De emancipatorische rol van het onderwijs is in dat opzicht exemplarisch geweest. Toch zijn de onderwijskansen vandaag de dag op geen enkele manier gelijk verdeeld. Neem bijvoorbeeld studenten van etnische minderheidsgroepen in Nederland: zij presteren relatief slecht ten opzichte van andere Europese landen. Tegelijkertijd neemt de ongelijkheid van onderwijskansen per sociaaleconomische achtergrond toe.

Sinds de eeuwwisseling zijn kenmerken die zo lang een bijdrage leverden aan uitmuntend onderwijs steeds meer onder druk komen te staan. Dat brengt nieuwe uitdagingen met zich mee.

Een keerpunt

1917 was een opmerkelijk jaar in de Nederlandse politiek. Na de zeer omstreden verkiezingen in 1913 kon er geen coalitieregering in het uiterst verdeelde politieke landschap worden gesmeed. Dat leidde tot een buitenparlementaire regering met veel niet-politici. Deze ongebruikelijke regering deed onder druk van de Eerste Wereldoorlog – waarin Nederland niet betrokken was en neutraal bleef – opmerkelijke dingen.

Tijdens de zogenaamde 'Pacificatie' werd de grondwet herzien en werden verschillende kwesties opgelost die het land daarna bijna uit elkaar hebben gedreven.Twee herzieningen in het bijzonder waren belangrijk voor de emancipatie. Allereerst was er het proces om geslachtsgelijkheid in de politieke vertegenwoordiging op gang te brengen. Ten tweede werd in de grondwet vastgelegd dat scholen gelijke rechten op financiering kregen. Openbare en bijzondere scholen (de laatsten gebaseerd op godsdienstige overtuiging) kregen het recht op gelijke financiering en behielden tegelijkertijd de vrijheid om onderwijs aan te bieden. Dat betekende dat het alle godsdienstige groepen vrij stond om hun eigen scholen te beginnen, die vervolgens in aanmerking kwamen voor overheidsfinanciering.

Nederland worstelde aan het begin van de 20e eeuw met een combinatie van drie belangrijke emancipatiekwesties die stuk voor stuk verband hielden met de industrialisering en modernisering:

  • De zogenaamde 'sociale kwestie': hoe kon het kapitalisme in balans worden gebracht met de sociale wensen van arbeiders, redelijke salarissen en eerlijke en veilige arbeidsomstandigheden?
  • Geslachtsgelijkheid: vrouwen betwistten de maatschappelijke, politieke en economische dominantie van mannen;
  • Godsdienstige emancipatie, met name van de katholieken.

Meer dan een eeuw lang speelde het Nederlandse onderwijsstelsel onbetwist een belangrijke rol in de emancipatie van vrouwen, personen van lagere sociaaleconomische afkomst en personen met uiteenlopende godsdienstige overtuigingen.

Onderwijsgroei

Zoals in veel andere Westerse landen is de onderwijsparticipatie in Nederland enorm toegenomen. Bijna een op de vier inwoners van Nederland volgt op een of andere manier onderwijs. De onderwijssector is enorm groot en telt meer dan een half miljoen medewerkers.

De onderwijsparticipatie heeft het onderwijsniveau van arbeidskrachten absoluut verbeterd. In de jaren zestig van de vorige eeuw had slechts een op de tien medewerkers hoger onderwijs gevolgd. Nu is dat percentage meer dan 40%. Dit is op zichzelf een noodzakelijke voorwaarde voor een goede ontwikkeling van de economie (kenniseconomie). Daarom wordt de participatie ook gestimuleerd. Er is echter ook sprake van overproductie. Het onderwijsniveau van de bevolking stijgt sneller dan de arbeidsmarkt kan absorberen. Bijna een kwart van alle medewerkers heeft een hoger diploma dan nodig is voor de functie. Dit percentage bedraagt onder medewerkers die hoger onderwijs hebben genoten 40% – een getal dat tussen 1990 en 2010 niet is veranderd. Vrouwen hebben hun achterstand qua onderwijsniveau ingehaald. Vrouwelijke studenten vormen een kleine meerderheid (52%) van het aantal ingeschreven eerstejaarsstudenten. Dit percentage is opmerkelijk genoeg niet gelijkmatig verdeeld over de verschillende sectoren: mannen en vrouwen zijn nog steeds geneigd om de traditionele patronen te volgen in hun keuze voor specifieke vakgebieden en sectoren.

De verschillen in opleidingsniveau tussen godsdienstige groepen zijn verdwenen, hoewel er een belangrijke uitzondering geldt voor migranten (moslims). Migranten staan qua opleidingsniveau nog steeds op achterstand ten opzichte van niet-migranten. Toch zijn ze bezig aan een opmars. Het percentage studerende migranten in het hoger onderwijs is sterker toegenomen dan het percentage niet-migranten. Het is interessant om te zien dat met name de groep vrouwelijke migranten een snelle inhaalslag lijkt te maken.

Het einde van de meritocratie?

De grote groei van het onderwijs impliceert dat de emancipatorische rol van het Nederlandse onderwijsstelsel langzaam maar zeker tot stilstand zal komen. In het huidige systeem volgen veel personen het min of meer het hoogst beschikbare onderwijsniveau.

Onderwijs vormde een motor voor emancipatie. Lange tijd hadden ouders het ideaalbeeld dat hun kinderen een hoger opleidingsniveau zouden genieten dan ze zelf hadden gedaan. Als ouders echter het hoogste opleidingsniveau hebben afgerond, kunnen hun kinderen logischerwijs niet hoger reiken. Daardoor neemt de kans op dalende onderwijsmobiliteit – waarbij kinderen een lager onderwijsniveau genieten dan hun ouders – toe. Het percentage mannen met een lager opleidingsniveau dan hun ouders stijgt steeds verder. Voor vrouwen is dit (nog) niet het geval. De conclusie dat het onderwijs zijn eigen graf heeft gegraven door zo sterk te groeien, kan tragisch worden gevonden maar is tegelijkertijd te pessimistisch. Een nieuw realisme waarin wordt gezocht naar nieuwe manieren om maatschappelijke posities en emancipatie te bieden, kan meer opleveren.

Honderd jaar geleden waren er vier mechanismen die een basis voor emancipatie in Nederland vormden:

  • Congruentie: afstemming tussen waarden van scholen en de grotere maatschappelijke groep die ze bedienden. Dit leverde in de maatschappij een sterk verantwoordelijkheidsgevoel voor het onderwijs op;
  • Competitie: een vreedzame wedijver tussen godsdienstige groeperingen – georganiseerd in hun eigen zuilen – bood een mechanisme om met mogelijk schadelijke maatschappelijke verschillen om te gaan. Elke groep kon zijn eigen kwaliteiten laten zien en wedijveren met anderen;
  • Compensatie: het gedifferentieerde systeem bood bepaalde vormen van gerichte compensatie. Niet alle scholen werden op dezelfde manier behandeld – niet alleen op financieel niveau, maar ook ten aanzien van politieke steun, enz.;
  • Coördinatie: hoewel de schoolsystemen verzuild waren, vonden boven in het systeem alle vormen van coördinatie plaats. Dit gebeurde zowel formeel (via nationaal onderwijsbeleid) als informeel (elites die zochten naar vormen van wederzijds begrip).

Deze mechanismen hebben in zekere zin hun kracht verloren in het Nederlandse onderwijsstelsel. Coördinatie werd elitair en bureaucratisch, terwijl de competitie tussen scholen soms tot verspilling van energie en budgetten leidde. Ouders voelden zich nauwelijks sterk verbonden aan scholen van hun eigen zuil (behalve bij islamitische scholen). De gedachte achter specifieke compensatie is kwijtgeraakt, en de compensatie ontaarde in een bureaucratische last.

Het onderwijs staat voor complexe en dynamische uitdagingen die zelfs kunnen worden weggezet als 'slechte problemen'. Dergelijke problemen vragen om nieuwe vormen voor het organiseren van onderwijs, en om maatschappelijke innovaties en 'out-of-the-box'-oplossingen. Ze kunnen worden gezien als een oproep tot gecoördineerde anarchie, waarin veel verschillende soorten scholen kunnen gedijen binnen een groter institutioneel kader. We zoeken flexibiliteit en evenwicht. Het gespreide systeem dat we nog steeds hebben, kan – met wat heruitvindingen – een goede basis vormen om antwoord te vinden op actuele uitdagingen. Als we bijvoorbeeld nieuwe zuilen definiëren, kan dat nieuwe vormen van inzet wakker maken en nieuwe energie opleveren voor coördinatie. Een gespreid systeem biedt bovendien betere mogelijkheden voor specifieke en situationele extra compensatie – hetzij in de vorm van budgetten of als morele steun, netwerken, etc. Ten slotte kan slimme competitie helpen om weer kwaliteit aan te jagen en zelfs opties bieden voor nieuwe initiatieven, waarbij oude instellingen worden uitgedaagd.

Leiding geven in een veranderend onderwijslandschap

Als manager of leidinggevende in het onderwijs heeft u te maken met een steeds veranderend landschap. Leer succesvol leiding te geven aan de veranderingen met de Master of Management in Education aan TIAS.
LEES MEER OVER DEZE MASTER

Reageren
U kunt reageren op bovenstaand artikel. Reacties worden gemodereerd en na goedkeuring geplaatst.