Public Management

MBO onder druk (1)

22 november 2017
mbo-praktijk

Het nieuwe kabinet is het kabinet van de middenklasse, van het sociale midden. Het is precies daar dat er beweging is. Electoraal is het afgebrokkeld en blijken er vier partijen nodig te zijn om een politieke meerderheid te hebben van maar één zetel. Sociaal is het al net zo aan het afbrokkelen (misschien zie je dat wel terug in de verkiezingsuitslag) en daarmee is er voor het MBO een ingewikkelder speelveld ontstaan.

Grofweg werd de logica van het MBO altijd vanuit twee verschillende uitgangspunten onderbouwd. Ten eerste was dat de human capital theorie, vroeg jaren zestig geformuleerd en een Nobelprijs waard. De lijn is neo-liberaal rechtoe/rechtaan. Onderwijsdeelname leidt tot productieve werknemers die daarmee een grotere bijdrage leveren aan economische groei; uit dat surplus kan onderwijs gefinancierd worden. De winst wordt geboekt op stelselniveau (groei van onderwijs leidt tot groei van het nationaal product) en op individueel niveau (als je langer doorleert, verdien je meer). Zeker in het beroepsonderwijs wordt die rechtstreekse relatie tussen leren en werken sterk beleefd. We hebben het over macrodoelmatigheid: opleidingen moeten duidelijk maken hoe hun afgestudeerden aan het werk komen om hun bestaansrecht te bewijzen.
Het tweede uitgangspunt was dat van de emancipatie, minder neo-liberaal, meer sociaal democratisch van aard. ROC’s vormen kansenmachines voor de kansarmen. Via deugdelijk onderwijs en slim stapelen kun je doorstromen. En dankzij de combinatie van niveaus in een school juist ook zonder van school te veranderen.

Het MBO heeft voor velen de weg geplaveid naar een goeie baan en een mooie stap voorwaarts. Maar, dat is voorbij. De dynamiek in de samenleving en op de arbeidsmarkt maakt dat de twee funderende kernlogica’s voor het MBO sterk aan glans verloren hebben. En daarmee verliest het MBO zijn traditionele legitimatie in de samenleving. Het zal op zoek moeten naar een nieuwe kernlogica.

Het is tot op zekere hoogte treurig om vast te stellen dat juist het MBO door eigen succes in de problemen komt. De meritocratisering van de samenleving, mogelijk door de snelle onderwijsexpansie, bederft het feestje. Veel, heel veel mensen hebben ten minste een diploma op MBO-niveau gehaald. Daarmee wordt dit een soort commodity, net als water en licht: het valt niet meer op dat het er is, maar het ontbreken ervan levert onmiddellijk gedoe op.

Een verdeelde samenleving

mbo-verdeelde-samenleving

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de samenleving is er eigenlijk sprake van een driedeling (zie bovenstaand figuur) tussen degenen in een gevestigde positie, degenen die dat niet hebben maar er wel kans op maken en degenen die amper kansen hebben. Het is niet zo gemakkelijk om percentages aan deze drie posities te koppelen, maar 60% op het pluche, 25% op weg naar het pluche en 15% zeker niet meer op het pluche is mijns inziens een redelijke inschatting. Laten we de drie posities eens nader bekijken.

De grootste groep Nederlanders heeft een opleiding op het niveau van MBO niveau-4 of hoger. Ze hebben vaste banen, kunnen zich een eigen huis permitteren en hun kinderen doen het overwegend goed op school. Daarnaast zijn ze overwegend gelukkig en gezond. Uit deze sociale laag komen ook degenen die de besturen, de raden van toezicht en de democratische organen bemensen. Een kleine groep heeft het heel goed en wil dat vooral voor zichzelf houden. Maatschappelijk gezien zijn dit ‘afhakers’, ze brengen hun vermogen naar het buitenland en hun kinderen ook, bijvoorbeeld naar dure buitenlandse business schools. Ze bemoeien zich niet of amper met maatschappelijke organisaties, ze zijn hedonistisch in hun oriëntatie.

Onderwijs onderscheidt je

Voor de groep-op-het pluche is onderwijs een defensief goed: het moet er vooral voor zorgen dat de eigen positie (en die van de kinderen) bestendigd wordt. Er mag geen sociale daling optreden en daarvoor zijn goede diploma’s belangrijk. Binnen deze groep is er een ratrace gaande om steeds hoger onderwijs te volgen. Onderwijs is hier duidelijk een positioneel goed: het onderscheidt je in positieve zin van hen die het niet hebben. Of al die extra opleiding ook functioneel is, is de vraag: 40% van de mensen met een hogere opleiding werkt op een lager niveau. Deze groep is dus verantwoordelijk voor een verspilling van belastinggeld door hun kinderen meer en meer onderwijs te laten volgen, louter om defensieve redenen.

De tweede groep zit in een runner up-positie. Ze hebben talenten, maar die zijn nog niet door onderwijs ontplooid en ontsloten. Het gaat hier vermoedelijk vooral om nieuwkomers in onze samenleving. Onbekendheid met de instituties (waaronder taal en wetten) en met de cultuur maakt dat ze hun licht onder de korenmaat laten schijnen. Onderwijs kan een belangrijke rol spelen om hun verborgen talenten (jawel, de term uit de vijftiger jaren die door socioloog Van Heek geĭntroduceerd werd) boven water te brengen: doe je best op school en dan komt er ook voor jou een positie in de gevestigde klasse.

In de jaren vijftig was dit inderdaad zo, maar deze boodschap werkt niet altijd meer en dat kan tot afhaakgedrag leiden. We zien dit bij allochtone jongeren die radicaliseren. Dat zijn lang niet altijd de laagst opgeleiden. Het is daarom zorgwekkend dat ook onder hoger opgeleide allochtonen de werkloosheid hoog is en blijft. Frustratie en défaitisme liggen op de loer.

Genadeloos

Dan zijn er ten slotte degenen die door gebrek aan talent of inzet uitgeselecteerd worden door het onderwijs: zij komen definitief niet op het pluche. Voor hen is de samenleving genadeloos. Ze wonen in slechte huizen, zijn vaker werkloos en hun gezondheid is matig. En daarbij krijgen ze te horen dat dit vooral aan henzelf ligt. Het systeem bood hen immers kansen die ze kennelijk niet pakten. Waar zij een generatie geleden nog konden antwoorden dat zij last hadden van hun sociale herkomst of sekse, geldt dit niet meer. We hebben kansen gecreëerd, slimme meiden voorbereid, studiefinanciering geboden et cetera: wat kan een samenleving nog meer doen?

Voorzieningen die vroeger hielpen (sociale arrangement, werkvoorzieningsinstituties) zijn in een neoliberale beweging verdwenen of geïndividualiseerd. Collectieve arrangementen bieden geen steun of bescherming meer. Buitenlandse werknemers of robots nemen banen voor laaggeschoolden over. Populistische politici verwoorden de afwijzing van de samenleving en vinden hun electoraat vooral in deze groep.
Ook hier hebben we weer een extreme positie, van de mensen die écht afhaken. Ze sluiten zich aan bij een motorbende en/of vullen hun inkomen aan met een wietplantage. Ze dagen de bestaande gezagsverhoudingen uit door zich er vooral niks van aan te trekken.

Lees deel 2 van 'MBO onder druk'

Leiding geven in een veranderend onderwijslandschap

Als manager of leidinggevende in het onderwijs heeft u te maken met een steeds veranderend landschap. Leer succesvol leiding te geven aan de veranderingen met de Master of Management in Education aan TIAS.
LEES MEER OVER DEZE MASTER

Relevante Artikelen