Public Management

Leraar is een veelvuldig beroep

6 maart 2017

Dé docent bestaat niet, daarvoor verschilt de inhoud van het primair onderwijs teveel van die van de bovenbouw van het voortgezet onderwijs of het beroepsonderwijs. Toch hebben docenten onderling veel gemeen: ze dragen op systematische wijze leerstof over aan leerlingen, die zich daardoor kunnen ontwikkelen.

Het werken in de klas is als het op oplossen van problemen aankomt een tamelijk solitaire activiteit. Leerkrachten moeten zelfstandig de leerstof voorbereiden en plannen, geschikte leermethoden aanreiken, en de resultaten van het leerproces evalueren. Het komt aan op het vormgeven van een zorgvuldige pedagogische relatie om het leerklimaat in de groep te bevorderen en aan te sluiten bij de leermogelijkheden van de leerlingen. Tevens moet een didactisch instrumentarium worden gehanteerd dat zich het beste leent om de leerstof uit de doeken te doen en in te spelen op de praktische en cognitieve vermogens van de lerenden. Het is een beroep waar iedereen een opvatting over heeft en dat gepaard gaat met de chronische onvoorspelbaarheid.
Het leraarschap is te typeren aan de hand van een aantal opvallende kenmerken:

Groot beroep/ Bekend beroep

Een typisch kenmerk van leraarschap is dat vrijwel iedereen een positief of negatief beeld heeft bij leraren. Kinderen kennen vaak maar enkele beroepen: dat van hun beide ouders en van de leraar op school. Iedereen is of was ooit leerling en op dagelijkse basis is ongeveer een kwart van de bevolking actief in een school. Het is een beroep dat in die zin weinig geheimen kent. 

Verwachtingsvol beroep

Ouders hebben overwegend hoge verwachtingen van wat onderwijs voor hun kinderen gaat betekenen. Die verwachtingen worden concreet ingevuld door leraren; zij moeten het wel of niet waarmaken. Ze hebben de trekken van superman of superwoman. Naarmate het aantal kinderen daalt in gezinnen, zullen de verwachtingen stijgen. Dit geldt zeker naarmate diploma’s tellen voor het verkrijgen van een positie op de arbeidsmarkt en de samenleving verder meritocratiseert. Ook dan geldt weer dat scholen en dus leraren centraal staan. 

Publiek beroep

Onderwijs is een belangrijke producent van wat wel ‘publieke waarde’ wordt genoemd. Het zijn de idealen van de moderne verzorgingsstaat die met publieke middelen ingevuld worden. Onderwijs is daar een van de belangrijkste voorbeelden van en leraren zorgen voor de uitvoering. Hun werk wordt dan ook behalve door de interactie met leerlingen en ouders en door de school ook via allerlei overheidsregelgeving beïnvloed. 

Geschoold beroep

Het beroep van de leraar is (hoog) geschoold, leraren zijn opgeleid in een vakgebied met een duidelijke kennisbasis en moeten beschikken over kennis van pedagogisch en didactisch handelen. Omdat het niveau van kennis en vaardigheden in de samenleving zich ontwikkelt, en er sprake is van een sterke mate van technologische ontwikkelingen en digitalisering van leermiddelen, moet het leraarschap zich ook inhoudelijk ontwikkelen en voorop lopen in de kennisontwikkeling. Deze dynamiek maakt van het leraarschap als vanzelf een ontwikkelingsgericht beroep, al vraagt het moeite en inspanning om bij te blijven en de opgedane kennis en ervaring op een goede manier in te zetten in het leerproces. 

Solistisch beroep

Tegelijkertijd staan leraren vaak alleen voor de klas. In hun klas zijn ze letterlijk heer en meester, al worden ze soms ondersteund door assistenten en ontstaan er geleidelijk samenwerkingsvormen op onderwijspleinen. Er is daarbij ook afstand tussen wat beleid en organisatie willen en wat er in de klas gebeurt. Leraren zijn in deze betekenis ‘streetlevel bureaucrats’; zij hebben rechtstreeks contact met leerlingen en ouders, zonder dat ze onder direct toezicht staan van leidinggevenden zijn ze de ‘uitvoerders’ van onderwijsbeleid. Daarbij kunnen ze meer of minder nauwgezet dit beleid uitvoeren, niemand houdt de boel direct in de gaten als ze lesgeven. Als er klachten zijn dan worden die pas naderhand besproken. 

Veelvormig beroep

Er zit een enorme variatie in het lerarenbestand: het gaat van de meesters en juffen die kleine kinderen de basisbeginselen van lezen en schrijven aanleren, tot aan de zeer gespecialiseerde docenten in de bovenbouw die focussen op een beperkt deel van een vakgebied. In het beroepsonderwijs leren vakdocenten en praktijkmeesters jonge vaklieden koken of websites bouwen. En het zijn leraren die met veel geduld en moeite moeilijk lerende of gehandicapte kinderen zo veel mogelijk vaardigheden proberen bij te brengen. In al deze gevallen is de leraar nu eens opvoeder, dan weer vakspecialist of didacticus. 

Toenemend gebruik 

Zowel in Nederland als in Vlaanderen hebben scholen autonomie om zelf de kwaliteit van het onderwijs te bepalen. Binnen de grondwettelijk beschermde ‘vrijheid van onderwijs’ is er de laatste twintig jaar wel sprake van toenemend gebruik van sturings- en controlemechanismen. De sterkere overheidsbemoeienis kent meerdere oorzaken. In ieder geval zijn de vergelijkingen die gemaakt worden tussen verschillende landen van belang. Daarnaast speelt een toename van landelijke normstellingen over eindtermen en ontwikkelingsdoelstellingen een rol. Algemene besturingsprincipes uit het New Public Management (Noordegraaf, 2003) hebben een steeds belangrijkere positie gekregen, waardoor veel aandacht bestaat voor inventieve bedrijfskundige besturing van de scholen en outputprikkels in de financiering van het onderwijs. Ook worden geleidelijk aan meer elementen van strategisch personeelsbeleid geïntroduceerd. In beide landen is er ten slotte een rol voor de Inspectie van het Onderwijs, die het resultaat van het onderwijs nauwgezet volgt: in Vlaanderen aan de hand van een input-outputmodel (CIPO), in Nederland aan de hand van een Inspectiekader waarin de examenresultaten voor algemene vakken zwaar wegen. 

In toenemende mate verzetten leraren zich tegen te gedetailleerde besturing. In Nederland leidde dit tot een parlementaire enquête onder leiding van Jeroen Dijsselbloem in 2008 met de voorspelbare conclusie dat de politiek zich terughoudend dient op te stellen en de vormgeving van het leerproces aan de scholen te laten. In de recente landelijke discussie over ‘ons onderwijs 2032’ is dat ook gebleken, een te sterke overheidsinterventie wordt door docenten niet op prijs gesteld. 

Tegelijkertijd is de laatste tien jaar ook het wetenschappelijk inzicht gegroeid dat docenten veel baat kunnen hebben bij het vormgeven van een collectieve leercultuur op school. Als docenten samen leren, op de werkvloer leren en een onderzoekende houding aannemen wordt er veel gewonnen. Toch is dat op lang niet alle scholen een vanzelfsprekendheid, uit veel onderzoeken blijkt een tamelijk grote verscheidenheid in de arbeidsrelaties en omgangsvormen tussen leiding en medewerkers.

Hoe maakt u onderwijsbestuur toekomstbestendig?

Sociale, technologische, demografische en economische ontwikkelingen in onze samenleving hebben grote impact op wat van het onderwijs word gevraagd. Met het exclusieve programma Toekomstbestendig Onderwijsbestuur ontwikkelt u zich tot een onderwijsbestuurder waarvan de kennis, houding en vaardigheden passen bij de opgaven waar uw onderwijsorganisatie voor staat.

LEES MEER OVER DIT PROGRAMMA

 

Reageren
U kunt reageren op bovenstaand artikel. Reacties worden gemodereerd en na goedkeuring geplaatst.