GovernanceLAB

Op zoek naar leiderschap

29 juli 2019
Oosterling

Met enige regelmaat wordt het nieuws gedomineerd door falende of ontspoorde bestuurders in non-profit-organisaties. Wanneer een ziekenhuis failliet gaat door betalingsproblemen, een woningcorporatie ten ondergaat door financiële ontsporing of een onderwijsinstelling niet meer kan voldoen aan onderwijsverplichtingen dan raakt dit rechtstreeks grote delen van de samenleving. Organisaties in het publieke domein zijn afhankelijk van vertrouwen. Bestuurders spelen een hoofdrol in dit vertrouwen.

Op 2 juli promoveerde Morris Oosterling op het onderwerp ‘selectie van topmanagers in non-profitorganisaties’. De financiering van deze promotie werd mogelijk gemaakt door de Vanderkruijs leerstoel ‘Leiderschap in maatschappelijke ondernemingen’, de Stichting Porticus, het Prins Bernard Cultuurfonds en het Ministerie van OC&W. Morris onderzocht in drie deelstudies het selectieproces  van bestuurders in het non-profit domein. Over dit onderwerp wordt veel geschreven maar bestaat nog maar weinig wetenschappelijk onderzocht. Morris levert met zijn dissertatie een belangrijke bijdrage aan onze wetenschappelijke kennis over het onderwerp.

Zijn eerste deelonderzoek betreft een analyse van wervingsteksten uit de periode 1980-2010. Uit de teksten blijkt dat in die periode de eisen die aan bestuurders worden gesteld veranderen. In het begin van de periode leggen verzuilde organisaties nog sterke nadruk op de identiteit van bestuurders. In de jaren daarna verschuift de nadruk naar de bestuurder als hoeder van het maatschappelijke belang; in feite het verlengstuk van overheidsbeleid. In het einde van de jaren 80 verschuift het accent naar zelfregulering en ondernemerschap. Het zijn de jaren dat privatiseringen hun intrede doen en de non-profitsector zich spiegelt aan private ondernemingen. Na 2000 ontwikkelt zich een meervoudig beeld waarin ‘waarde-begrippen’ een belangrijke rol spelen. Wervingsteksten lopen parallel aan de beschreven ontwikkeling. Het eisenpakket wordt steeds uitgebreider omdat er sprake is van een stapeling van eisen; de verwachtingen nemen toe, de kansen op falen of ontsporen eveneens.

In het tweede deelonderzoek staat het selectieproces centraal; dit onderzoek bestaat uit een aantal casestudies. Opvallend is de uitgebreidheid van selectie-eisen en de relatief geringe rol die deze vervolgens in afwegingen spelen. Er wordt relatief weinig gebruik gemaakt van objectieve instrumenten zoals intelligentietesten en assesments. Voorkeuren komen goeddeels tot stand op grond van uitspraken zoals ‘Ik voel een klik’ of ‘Mijn onderbuikgevoel zegt’. Het lijkt erop alsof het selectieproces is gericht op het bevestigen van een al eerder gevormd oordeel.

Het laatste deelonderzoek is gericht op het besluitvormingsproces. Hoe komt het dat mensen in een keuzeproces wel hun voorkeur uitspreken maar deze voorkeur niet volgen in de uiteindelijke keuze die ze maken?

Middels conjoint analysis is een poging gewaagd hier zicht op te krijgen. uit deze analyse blijkt dat drie factoren een belangrijke rol spelen bij de selectie: ‘de klik’ met de kandidaat in de interactie, communicatieve vaardigheden en verbindend vermogen. ‘Ervaring’ wordt niet belangrijk gevonden. De sociale vaardigheden van een kandidaat vindt men het belangrijkste, terwijl deze het moeilijkste objectief te meten zijn.

Een deel van het falen en ontsporen van bestuurders in de zorgsector, het onderwijs en de corporatiewereld zou wel eens verklaard kunnen worden door de subjectieve manier waarop benoemingen tot stand komen. In feite zoekt men te weinig naar een bestuurder die goed is voor de organisatie. Er wordt teveel gezocht naar een bestuurder die het eigen comfortgevoel behaagt en de eigen opvattingen weerspiegelt.

Het gebruik van objectieve instrumenten zoals tests en assesments kan zorgen voor meer kans op een succesvolle bestuurder. 

Oosterling, M. (2019). Op zoek naar Leiderschap, de top in non-profitorganisatie bezien vanuit selectie. (Dissertatie Tilburg University)

Relevante Artikelen