GovernanceLAB

Onderwijs als maatschappelijke strijd

30 juni 2016

Het slaat in als een bom. De onderwijswereld is net goed op dreef met nadenken over onderwijsvernieuwing en het goed in positie brengen van leraren. Er is het traject excellente scholen, er is de lerarenagenda, er wordt nagedacht over het curriculum van toekomst via Platform 2032 en er wordt gezocht naar ruimte voor nieuwe scholen. Dan komt daar ineens de onderwijsinspectie met breaking news: de kansenongelijkheid in het onderwijs groeit.

De inspectie heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar gelijke kansen in het onderwijs. De resultaten wijzen uit dat de verschillen tussen leerlingen met lager en hoger opgeleide ouders toenemen: “Vergelijken we kinderen met dezelfde intelligentie, dan zien we dat leerlingen met laagopgeleide ouders vaker doorstromen naar een lager onderwijsniveau. Ze krijgen lagere basisschooladviezen en deze worden minder vaak bijgesteld op basis van de eindtoets. Ook in de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs stromen deze leerlingen vaker af. Bovendien gaan ze minder vaak naar het hoger onderwijs dan in eerdere jaren.” (onderwijsinspectie.nl)

In de media buitelt iedereen over elkaar heen om zijn schrik en verontwaardiging kenbaar te maken. De VO-raad stelt dat ongelijke kansen in strijd zijn met fundamentele uitgangspunten van het onderwijs, Marike Stellinga kondigt in NRC Handelsblad ‘alarmfase 4’ aan en vindt dat ‘heel Den Haag op zijn achterste benen zou moeten staan’. Studenten- en jongerenorganisaties sturen een brandbrief aan Minister Bussemaker en dringen aan op maatregelen zoals terugdraaien van het leenstelsel en stoppen met selectie aan de poort.

De afgelopen tien jaar is het onderwerp van gelijke kansen stilletjes maar rigoureus van de onderwijsbeleidsagenda verdwenen. Er leeft een dominant en hardnekkig beeld van het Nederlandse onderwijs is als ‘een hoogvlakte zonder pieken’. Hierdoor is de beleidsaandacht vooral gericht op het ‘creëren van pieken’ zoals bevorderen van excellentie, faciliteren van topscholen, topopleidingen, en arrangementen voor zeer begaafde leerlingen en studenten. Beleidsinitiatieven gericht op de talenten van kinderen van laag opgeleide ouders om te zorgen dat zij het onderwijs volgen dat ze daadwerkelijk aankunnen, of maatregelen om segregatie in het onderwijs tegen te gaan, of op- en doorstroom in het onderwijs te bevorderen, waren het afgelopen decennium niet erg populair. 

Dankzij sociologisch onderzoek is bekend dat kinderen voor hun (school)loopbaan profiteren van het opleidingsniveau van hun ouders. Hoe lager het opleidingsniveau van de ouders, hoe minder kinderen over hulpbronnen kunnen beschikken die nodig zijn voor een voorspoedige (onderwijs)carrière zoals kennis, financiële middelen, sociaal netwerk en cultureel kapitaal. Het zogenaamde Mattheus effect treedt veelvuldig op. Zo weten hoogopgeleide (en dus mondige en bureaucratisch vaardige) ouders vaker een medische indicatie te krijgen voor hun kinderen, en makkelijker gebruik te maken van ondersteuningsmiddelen Passend Onderwijs. Met name hoogopgeleide ouders lukt het subsidies te krijgen om eigen vernieuwende scholen op te richten. Ook op de arbeidsmarkt en bij ‘een leven lang leren’ werkt dit Mattheus effect door. Zo komen de middelen uit de scholingsfondsen van werkgevers- en werknemersorganisaties vooral bij midden- en hoogopgeleiden terecht.

In ‘Mijn idee voor onderwijs’ (14 april, de Balie, Amsterdam) vergelijkt hoofdinspecteur Arnold Jonk het vraagstuk van gelijke kansen treffend met een wedstrijd in hordelopen, waarbij sommige kinderen de race moeten lopen met zandzakken aan hun voeten. Om de kinderen gelijke kansen te geven, helpt het weliswaar om ‘hen met de zandzakken’ eerder te laten starten (vergelijk dit met het nut van voor- en vroegschoolse educatie), maar bij elke horde zullen de kinderen opnieuw steun en tijd nodig hebben om hem goed te kunnen nemen (vergelijk dit met de hordes van overgang van primair naar voortgezet onderwijs, van op- en doorstroom binnen het voortgezet onderwijs, van de overgang van mbo naar hbo en van ‘eerste generatie student’ zijn).

Dankzij de wake-up call van de onderwijsinspectie breken onderwijsbeleidsmakers, -politici en –bestuurders zich weer het hoofd over hoe via onderwijs de kloof te dichten tussen de kansen van kinderen van hoog- en van laagopgeleide ouders. Maar de onlangs overleden socioloog en onderwijskundige Jaap Dronkers nuanceerde het eenzijdige beeld van onderwijs als sleutel naar gelijke kansen door steeds te wijzen op hoe onderwijs werkt als een ‘tweesnijdend zwaard’: “enerzijds is het een middel tot sociale stijging van begaafden uit alle bevolkingslagen [ … ] anderzijds genereert onderwijs juist nieuwe ongelijkheden en kan het een middel zijn om bestaande maatschappelijke ongelijkheden te handhaven.” (Dronkers, 2007, p. 5). En al bijna tien jaar geleden deed hij de volgende aanbevelingen om onderwijsongelijkheid succesvol te verkleinen (Dronkers, 2007, p. 72):
- investeren in vroege ontwikkeling van bekwaamheid;
- evenwicht tussen buurt- en schoolsegregatie door een combinatie van vrije schoolkeuze en gemengde buurten;
- gelijkwaardige onderwijscondities op scholen;
- gezamenlijk bestuur van scholen door leerkrachten, ouders en maatschappijvertegenwoordigers;
- centrale en openbare meting van eindresultaten met op curriculum gebaseerd eindexamens, maar geen procesbewaking door overheid;
- de combinatie van beperkte differentiatie binnen en tussen onderwijstypen en ruimhartige mogelijkheden voor doorstroming; en
- geen kosteloos tertiair onderwijs, maar wel ruimhartige en goedkope prestatie gebonden leningen aan studenten.

 

Onderwijsbestuur in een steeds veranderend landschap, wat houdt dat in? 

Bestuurders in het onderwijs hebben te maken met een steeds veranderend landschap. Edith Hooge en Sietske Waslander geven een One Day Masterclass voor iedereen die zich wenst te oriënteren op de functie van onderwijsbestuurder.
In één dag komt aan de orde wat het besturen van een onderwijsorganisatie betekent, wat de belangrijkste vragen zijn, wat elke onderwijsbestuurder in het vizier zou moeten hebben en welke houding, kennis en vaardigheden nodig zijn om de rol als onderwijsbestuurder optimaal uit te kunnen voeren.
Meer weten over deze Masterclass

Dit artikel is eerder gepubliceerd in De Nieuwe Meso, vakblad voor schoolleiders en –bestuurders. In de rubriek Bestuur beschouwen Sietske Waslander of Edith Hooge kwesties van onderwijsbestuur en -beleid. Beiden zijn als hoogleraren verbonden aan het GovernanceLAB van TIAS.

Referenties:
- Dronkers, J. (2007). Ruggengraat van ongelijkheid. Beperkingen en mogelijkheden om ongelijke onderwijskansen te veranderen. Amsterdam: Mets & Schilt / Wiardi Beckman Stichting. 
- http://www.onderwijsinspectie.nl/nieuws/2016/04/onderwijsinspectie-kansenongelijkheid-groeit.html

 
Reageren
U kunt reageren op bovenstaand artikel. Reacties worden gemodereerd en na goedkeuring geplaatst.