GovernanceLAB

Les 2 voor succesvol onderwijsbeleid

2 oktober 2019
Interactive

Goed gebruik van verschillende soorten informatie en kennis is cruciaal voor succesvol onderwijsbeleid. Zo verschaffen wetenschappelijk onderzoek en theorievorming de nodige kennis en inzichten voor een solide onderbouwing van beleid. Het helpt onderwijsbeleidsmakers, -bestuurders en –politici om hun beleid ‘evidence-informed’ te maken, en het niet alleen te baseren op persoonlijke en politieke overtuigingen of ideeën. Daarnaast zijn er de big data waarmee bestuurlijke en beleidsmatige informatie kan worden gegenereerd. Bijvoorbeeld via de Onderwijsinspectie of de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), private partijen zoals educatieve uitgeverijen, maar ook internationale benchmarks zoals PISA of IALS.  Snelle ontwikkelingen in informatie- en communicatietechnologie maken de beschikbaarheid en verspreiding van deze data steeds gemakkelijker, sneller en goedkoper.

Naast wetenschappelijke kennis en big data herbergt de onderwijspraktijk een schat aan informatie. Mensen uit de onderwijspraktijk weten hoe staand beleid ‘in het echt’ uitpakt, en zij kunnen de gevolgen van nieuw beleid voor hun eigen praktijk vaak goed overzien. Leraren, schoolleiders en andere onderwijsprofessionals beschikken over zogenaamde professionele kennis en informatie. Bijvoorbeeld over (vak)didactiek en pedagogisch handelen, over groepsdynamische processen in de klas, over organisatie van onderwijsleerprocessen en over de diversiteit van leerlingen. Verder hebben mensen die dagelijks in contact staan met leerlingen of studenten en hun ouders – naast leraren zijn dat oudercontactmedewerkers, praktijkbegeleiders, decanen, intern begeleiders of pedagogische conciërges – de nodige praktische informatie paraat zoals: Wat houdt jongeren bezig in en om het schoolplein?

Hoe pakken roosters en schooltijden uit voor ouders? Welke effecten heeft een schoolgebouw of sportveld op de sociale veiligheid van leerlingen? En dan is er nog de ervaringsgerichte kennis van diegenen voor wie het onderwijs is: niet alleen leerlingen, studenten, hun ouders, maar ook partijen zoals het beroepenveld en bedrijfsleven en vervolgonderwijs. Zij ervaren hoe beleidsmaatregelen daadwerkelijk uitpakken. Wat betekent de komst van voorscholen voor ouders bij de keuze van een basisschool voor hun kind? Hoe ervaren leerlingen in het beroepsonderwijs de samenwerking en ‘warme overdracht’ tussen vmbo- en mbo-scholen? Wat maakt een zogenaamde eerste-generatiestudent mee in zijn eerste studiejaar aan een universiteit? Is de postinitiële master flexibel genoeg voor de verpleegkundige die deze opleiding combineert met werk en zorg voor een gezin?

Al die informatie uit de onderwijspraktijk vormt een onontbeerlijke aanvulling op de expliciete, vaak gekwantificeerde informatie die wordt verkregen via big data. Praktische en ervaringsgerichte informatie is vaak gedetailleerd, microscopisch, beeldend en anekdotisch van aard, en handelt meestal over een enkele casus (n = 1). Dit soort informatie blijft onzichtbaar in kwantitatieve rapportages met gemiddelden en trends, en vult deze aan omdat het verhaal achter de cijfers wordt verteld.

Het nadeel van informatie uit de onderwijspraktijk is dat het impliciet is en dus moeilijk te verwerven. Dat noemen we ‘sticky’: dit soort informatie ‘kleeft’ aan mensen, is opgeslagen in hun hoofd en verweven met al hun opvattingen en gedrag. Het kan daarom alleen verworven worden in interactie, door te luisteren, door observatie of door kennis te nemen van experimenten, pilots en gedeelde praktijken.

Hiervoor moeten beleidsmakers en bestuurders achter hun bureau en hun digitale dashboards vandaan komen. Dat is een arbeidsintensieve en lastige onderneming, maar het loont de moeite.

Ten eerste kunnen met dit soort informatie missers en verkeerde inschattingen bij beleidsvorming worden voorkomen, die vaak ontstaan als gevolg van eenzijdig gebruik van kwantitatieve en abstracte bestuurlijke informatie. En net als wetenschappelijke kennis en inzichten dat doen, biedt het tegengif tegen eenzijdig persoonlijke of politieke opvattingen bij onderwijsbeleidsvorming en -implementatie.

Ten tweede kunnen beleidsmakers daardoor veel te weten komen over het verloop van het beleidsproces, en over hoe het beleid uiteindelijk zijn beslag krijgt. Welke effecten treden op in de klas en op school? Zijn er neveneffecten, voor wie of wat en hoe wenselijk zijn die? Heeft het beleid misschien een andere doelstelling gekregen tijdens de implementatie? Zijn er omstandigheden of ontwikkelingen die succesvolle uitvoering van het beleid in de weg zitten?

Ten slotte misschien wel het belangrijke voordeel: het proces van informatieverwerving in de onderwijspraktijk geeft de mogelijkheid voor cocreatie, dat wil zeggen: samen met onderwijsprofessionals, leerlingen, ouders en andere betrokken partijen onderwijsbeleid ontwerpen, erover besluiten en er uitvoering aan geven. Cocreatie vergroot de kans op succesvol beleid omdat het een boost geeft aan de kwaliteit van het besluitvormingsproces, en het draagvlak voor implementatie en uitvoering van het beleid sterk vergroot.

Deze column is recent verschenen in DNM.

Relevante Artikelen