GovernanceLAB

Hoe groot of klein moet een school zijn?

7 mei 2019
onderwijs

Onder de noemer ‘too-big-to-fail’ kwam schaalgrootte in het onderwijs de afgelopen decennia veel onder de aandacht. Het werd gerelateerd aan de (financiële) continuïteit van onderwijsinstellingen, en in het verlengde daarvan, aan de continuïteit van het onderwijsstelsel als geheel. 

In mijn ogen verdient het gevaar van ‘too-big-or-too-small-to-succeed’ ook de aandacht. In gewoon Nederlands: vormt de schaalgrootte de juiste conditie voor het realiseren van goed onderwijs? Zijn scholen, afdelingen, opleidingen en bestuurlijke verbanden te grootschalig of juist te kleinschalig georganiseerd voor hen die dagelijks het onderwijs meemaken?

Bij deze een aanzet voor een checklist ‘school en schaal’ voor onderwijsbestuurders, schoolleiders en hun intern toezichthouders met zeven vragen over ‘big-and-small-enough-to-succeed’ die naar mijn idee in elk geval gesteld moeten worden.

  1. Kunnen onderwijsbestuurders, schoolleiders en hun intern toezichthouders het geheel van scholen, opleidingen en afdelingen overzien?
  2. Hebben zij zicht op de verschillende onderwijsgemeenschappen binnen de onderwijsorganisatie als geheel? Hebben zij zicht op, en begrip van, de aard en het type onderwijs, leren en vormen dat er plaatsvindt?
  3. Hebben onderwijsbestuurders en schoolleiders zicht op, en gevoel voor, wat zich afspeelt tussen leraren, leerlingen/studenten en hun ouders op de scholen, opleidingen? Weten zij hoe de onderwijskwaliteit ervoor staat, hoe deze vorm krijgt en wordt beleefd, en of het de onderwijskwaliteit is die gewenst/nodig is?
  4. Herkennen leerlingen/studenten en hun ouders, leraren en onderwijsstaf op hun beurt zichzelf voldoende in de school, opleiding? Kunnen zij hun eigen positie en rol bepalen in het grotere geheel? Wordt voldoende ruimte ervaren om invloed uit te oefenen en verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen handelen? Is er voldoende mogelijkheid voor onderling persoonlijk contact? Dit alles ook als de onderwijsorganisatie complexer en/of groter wordt? 
  5. Hebben onderwijsbestuurders en schoolleiders zicht op wat zich in de (bestuurlijke) omgeving van de onderwijsorganisatie voordoet en kunnen zij er op inspelen? Ook als de omgeving omvangrijker en ingewikkelder wordt?
  6. Is de omvang, rol en taakuitvoering van lijn- en stafeenheden passend en gepast in relatie tot de omvang, rol en taakuitvoering van (teams van) leraren, onderwijsstaf en onderwijsleiders? Zijn ze te groot, te klein, voldoende professioneel en toegerust? Treedt er fragmentatie binnen de organisatie op tussen verschillende scholen, opleidingen en afdelingen, en/of tussen lijn- en stafeenheden? Dijen stafafdelingen voor bijvoorbeeld financiën, IT, HRM of kwaliteitszorg of de managementlagen, aanvankelijk opgericht voor goede bedrijfsvoering en om de onderwijspraktijk te ondersteunen, teveel uit? Verworden ze tot bolwerken?
  7. Gaat het goed met de governance, oftewel de externe en interne verhoudingen van invloed, zeggenschap, besluitvorming, toezicht en verantwoording? Faciliteert de governance het samenspel dat nodig is voor het ‘maken’ van goed
    onderwijs.
Relevante Artikelen