Sustainable Innovation LAB

Business school wil huidige en toekomstige toplui leren navigeren in de mist

25 april 2016

Hoe kunnen energiebedrijven de energietransitie trotseren? Op die vraag geeft TIAS Business School in een zogenoemd white paper de eerste aanzet tot een antwoord. Wendbaarheid is een prominent woord in dat antwoord. Voormalig CEO van Essent en bijzonder hoogleraar aan TIAS Michiel Boersma stelt onomwonden dat energiebedrijven een strijd om het voortbestaan voeren. “Wie zijn straks de relevante spelers?”

Download de white paper

Voor sommige bedrijven zullen de veranderingen te snel gaan, voorspelt Boersma. Maar niet per definitie, en niet voor elk bedrijf. Het komt er vooral op aan of de leiding van het bedrijf ziet wat er moet gebeuren, en overeenkomstig handelt. Nieuw talent aantrekt. “Als de top van het bedrijf dat goed doet, zie ik geen reden waarom bedrijven niet zouden kunnen overleven”, zegt de voormalig topman van Essent in gesprek met Energeia.

Dát er iets moet gebeuren, staat vast. "Het piept en het kraakt in de energiemarkt", vatte toenmalig directeur van Energie-Nederland in 2013 de situatie samen, en eigenlijk is dat nog steeds zo. Energiedeskundige Hendrik Steringa kwam tot de analyse dat de energiebedrijven zich sinds de eeuwwisseling vooral hebben gericht op internationale expansie, grootschalige centrale energieopwekking, meer markt en minder overheid, waar er bij een transitie naar duurzame energieopwekking juist meer nadruk komt te liggen op lokaal, kleinschalig decentraal en meer regulering. Met andere woorden: men was blind voor de transitie die zich voor hun ogen voltrok.

Blind is men misschien niet meer, maar de sector waart wel door dichte mist. Dat maakt navigeren lastig. Een “confrontatie met het onbekende”, heet het in het white paper van TIAS, dat als titel kent ‘Wie leidt de energietransitie in goede banen?’. De business school –een samenwerking tussen Tilburg University en de Technische Universiteit Eindhoven- heeft dit document opgesteld na intensieve gesprekken met de top van diverse relevante organisaties en bedrijven uit de energiesector –naast de grote energiebedrijven en de landelijke en regionale netbeheerders zijn dit bijvoorbeeld ook brancheverenigingen als Vemw en Vereniging Eigen Huis, maar ook de Topsector Energie schoof aan en afvalbedrijf Van Gansewinkel.

Reden voor TIAS om zich in deze sector in transitie te verdiepen is tweeledig, legt bijzonder hoogleraar Toni Sfirtsis uit. TIAS afficheert zich als ‘school for business and society’ en houdt zich om die reden graag bezig met thema’s met “grote maatschappelijke relevantie”. Energie is zo’n thema. En de transitie maakt de energiesector tot een interessant studieobject, vindt Sfirtsis, want bestudering hiervan levert de kennishongerige school haast automatisch nieuwe leerstof. De zucht naar nieuwe kennis wordt gecombineerd met een commercieel doel: TIAS is bezig een leerlijn op te zetten “die zich toespitst op de next generation leader in energy”. Onder meer via dit onderzoek wil de business school invulling geven aan die leerlijn.

Het onderzoek –Sfirtsis noemt het een “praatdocument”, bedoeld om discussie aan te zwengelen- geeft een eerste aanzet waar het aan schort en wat daaraan te doen. Hoewel niet gespeend van managementspeak (de energietransitie vertoont kenmerken van een radical change scenario, dat te lijf moet worden gegaan met een staggered strategy die alleen succesvol kan worden gevolgd bij voldoende strategic agility wat kan worden verkregen door investeringen in de dynamic capabilities van de onderneming), wordt de situatie ook in gewone mensentaal uitgelegd. Waar het op neerkomt: om door de dichte mist te navigeren moeten organisaties beschikken over kwaliteiten als adaptief vermogen, wendbaarheid en veerkracht –en snel ook.

Om vast te stellen waar het piept en kraakt heeft TIAS vooral het oor te luisteren gelegd bij de gevestigde orde. Het white paper toont genadeloos dat juist die gevestigde orde het antwoord op de huidige uitdagingen niet paraat heeft. Opgetekend uit het hoofdstuk ‘De tussenstand’: tegen beter weten in zijn de energiebedrijven nog steeds bezig “met het eenzijdig optimaliseren van de huidige waardeketen”, het centraal stellen van de eindgebruiker “is nog steeds een lippendienst”, “het huidige verdienmodel prevaleert, ondanks alle geschetste trends en game-changing technologieën” en “het aanbod sluit niet aan bij de wensen van gebruikers”.

Het onderzoek van de Tilburgse business school waagt ook een poging de mist iets te doen optrekken. Geen heldere toekomstvisie, verduidelijkt Sfirtsis, niet één absoluut punt waarvan men weet: dáár gaat het heen. Maar wel een algemeen aanvaarde analyse van enkele megatrends die momenteel waarneembaar zijn. Niet een stip, maar wel een bandbreedte op de horizon.

Die bandbreedte wordt gevangen in het begrip ‘collaboratieve economie’. In die nieuwe realiteit zijn zaken als product, dienst, bezit en gebruik opnieuw gedefinieerd. In die nieuwe realiteit is bijvoorbeeld autobezit irrelevant zolang mobiliteit is gewaarborgd. Hotels zijn irrelevant, het gaat om een slaapplaats. Een krant moet zijn bestaansrecht herdefiniëren omdat men ongebreidelde toegang krijgt tot informatie, net als dat een makelaar dat moet omdat een website huizenkopers en -verkopers koppelt. En energielevering legt het in die realiteit af tegen het per gebruiker optimaliseren van de effectiviteit en efficiëntie van het energiegebruik.

Wie niet meegaat in deze nieuwe realiteit, wordt “obsoleet”, waarschuwt het white paper. Wat de vraag oproept: is dat erg? Het ‘praatdocument’ lijkt soms als doel te hebben het laten overleven van de huidige bedrijven. Moet voor een organisatie als TIAS, die maatschappelijke meerwaarde nastreeft, niet voorop staan dat de energietransitie zich zo snel mogelijk voltrekt, eventueel gecombineerd met de aanvullende eis van behoud van werkgelegenheid? Want wat nu als het bijsturen van de gevestigde orde richting het transitiepad niets meer bewerkstelligt dan uitstel van die maatschappelijk gewenste transitie, gekoppeld aan een verlengd lijden van die energiebedrijven die aan het einde van de rit alsnog obsoleet blijken –om maar een zwarte dwarsstraat te noemen?

Sfirtsis snapt die observatie, maar stelt dat het in het zadel houden van de gevestigde belangen zeker niet het hoofddoel is van de leerlijn. Het moet volgens hem nog maar blijken of de gevestigde orde überhaupt mee kan komen, stappen gaat zetten, bewustzijn krijgt. Als dat niet zo is, zal dat niet leiden tot een aanpassing van het curriculum. “Het gaat om de energietransitie. Als bedrijven daar niet in mee kunnen: jammer.”

Bovendien, zo voegt zijn TIAS-collega Boersma in een later gesprek toe, is de leerlijn bedoeld voor iedereen die zich op het transitiepad wil begeven. Of dat nu mensen zijn afkomstig van grote, gevestigde energiebedrijven, mensen van kleine energiecorporaties of mensen vanuit Google, Apple, Tesla of welke organisatie ook maar van meerwaarde wil zijn. Het is maar de vraag wie straks de relevante spelers zijn.

Dit artikel, geschreven door Wouter Hylkema, is eerder gepubliceerd op www.energeia.nl.

Download de white paper

 

Reageren
U kunt reageren op bovenstaand artikel. Reacties worden gemodereerd en na goedkeuring geplaatst.